Het Hele Verhaal onder de loep genomen

Het Hele Verhaal onder de loep genomen

Irma Verest-Schut schreef voor de Postbachelor opleiding docent NT2 een eindexamenwerkstuk waarin ze de TPRS-lesmethode Het Hele Verhaal beoordeelde op diverse aspecten. Hieronder vind je de analyse van de docentenhandleiding en het werkboek, die met haar toestemming hier is gepubliceerd.

Doelgroep van Het Hele Verhaal

Deze methode is bedoeld voor volwassen cursisten met weinig tot geen kennis van het Nederlands. Het is gericht op volwassenen die in hun moedertaal kunnen lezen en schrijven, maar het materiaal kan ook gebruikt worden in combinatie met een alfabetiseringsprogramma. De materialen zijn aan te passen voor andere leeftijden en niveaus.

 

Doel

In de inleiding wordt weergegeven dat het doel is te voorzien in een compleet curriculum voor het onderwijzen van Nederlands aan volwassen taalleerders op basis van TPRS. TPRS richt zich op taalverwerving door middel van begrijpelijke input. De methodiek combineert actief taalleren door middel van lichamelijke handelingen met persoonlijke vraag- antwoordgesprekken en het vertellen van verhalen. Vocabulaire en taalstructuren worden geleerd door een aantal technieken die zorgen voor begrijpelijke input en herhaling van het doelvocabulaire in context. Gebaren, TPR commando’s, vragen en miniverhalen maken het mogelijk voor de cursisten om in verschillende nieuwe contexten in de taal te communiceren. (docentenhandleiding Het hele verhaal, E. Skelton en D. Milligan).

Het doelvocabulaire voor Putting it together (handleiding TPRS), is geselecteerd uit de frequentielijsten, het vocabulaire komt uit de  BEST test en de CASAS test. Beide zijn Amerikaanse tests.het vocabulaire komt uit de  BEST test en de onderwerpen die in de CASAS test getest worden. De woorden in de hoofdstukken zijn onderverdeeld op grond van de belangrijkste competenties die de meeste ESL programma’s van de VS onderwezen worden. Uit recent onderzoek is gebleken dat authentiek taalgebruik vrijwel nooit gebaseerd is op netjes per thema geordende woorden. Voor de vertaling zijn het vocabulaire en de verhaaltjes waar nodig aangepast aan de Nederlandse cultuur. Er wordt gebruik gemaakt van hoogfrequente woorden, omdat deze steeds terug komen en vaak herhaald worden in de lessen.

De CASAS  is een Amerikaans onderwijsinstituut. Zij nemen testen af op het gebied van lezen, luisteren en wiskunde. Zij beogen nauwkeurige testrestultaten en toegang tot professionele ontwikkeling.

Belangrijk is dat het boek bedoeld is als suggesties voor het geven van een miniverhaal. Het idee is dat de docent zelf de “lege vakjes” invult door de ideeën van cursisten te gebruiken en door de verhalen, TPR commando’s en scenario’s persoonlijk te maken.

 

Leerstof

Componenten

Het eerste hoofdstuk begint met TPR commando’s. De cursisten hoeven dus nog niet te spreken. Ze luisteren, kijken en doen de docent na. De volgende oefening is een aanwijsoefening. Er staan 4 plaatjes in het boek waarop verschillende handelingen uitgebeeld worden. De opdracht luidt: "Wijs het plaatje aan als je het woord hoort" (voorbewerken).  Dit komt overeen met de vier fasen van het aanleren van woordenschat: voorbewerken, semantiseren, consolideren en evalueren.

 

Vervolgens moet de cursist het nummer van het plaatje opschrijven dat bij de zin past. Hiermee wordt de luistervaardigheid getest (semantiseren). Bij oefening 3 moeten de woorden getekend worden die de docent zegt en bij oefening 4 worden de woorden opgeschreven die je hoort (consolideren en evalueren). De eerste 4 lessen worden op deze manier ingevuld. In hoofdstuk 1.3 worden ook al de werkwoordtijden ingebracht. Er wordt aan de cursisten gevraagd wat ze in het weekend gedaan hebben.

 

In hoofdstuk 2 moeten de cursisten al veel meer gaan praten.  De verhaaltjes worden steeds iets langer, maar blijven kort. In de eerste les bestaat het verhaaltje uit drie zinnen, maar aan het eind bestaan de verhalen uit ongeveer 25 zinnen. Doordat er heel uitgebreid ingegaan wordt op de aangeboden verhaaltjes dmv. vragen stellen, wordt er veel geoefend met begrijpend lezen/luisteren. De cursisten worden steeds uitgedaagd om goed te luisteren naar of het verhaal goed te lezen en er vragen over te beantwoorden.

De oefeningen komen in elke les terug, dus de opbouw is heel gestructureerd. De les begint altijd met woordenschat en eindigt met een miniverhaal.

 

Oefeningen: input en output

In eerste instantie wordt er geoefend met luisteren. Door middel van het geven van commando’s (en het voordoen) worden de eerste beginselen van de doeltaal aangeleerd.

Vanaf hoofdstuk 2 moet er meer actief worden gesproken. Er worden korte verhaaltjes geschreven. De cursist moet luisteren, begrijpen, handelen, spreken en schrijven.

 

Niet-taalspecifieke kennis en vaardigheden

Er wordt een beroep gedaan op de fantasie en creativiteit van de cursist. Je moet toch wel een klein beetje kunnen tekenen om een verhaaltje uit te beelden. Voor mensen die in hun eigen taal kunnen lezen en schrijven biedt de methode voldoende uitdaging om hun creativiteit in het schrijven kwijt te kunnen. Voor een alfabetiseringsprogramma zal het schrijven een minder grote plaats innemen. Zij worden veel meer aangesproken op hun werkgeheugen: onthouden.

 

Methodiek

De afgelopen decennia zijn er verhitte debatten gevoerd over vrijwel alle aspecten van het vreemde taal onderwijs. In grote lijnen is men het er over eens dat het feit dat blootgesteld zijn aan input (taalaanbod in de doeltaal) cruciaal is voor de taalverwerving: zonder ‘exposure’ aan input geen of weinig leeropbrengst. Ook is men het er in grote lijnen over eens dat die blootstelling het meeste oplevert als de input qua moeilijheidsgraad net iets boven het actuele taalbeheersingsniveau van de leerder ligt. De grote man achter deze opvatting is Stephen Krashen. (Krashen, 1981; Krashen, 1982; Krashen, 1985; Krashen & Terrel, 1983). Stephen Krashen is in 1941 geboren in Illinois, Verenigde Staten. Stephen Krashen is hoogleraar en gespecialiseerd in onderzoek naar de effecten van lezen op de taalontwikkeling.

 

TPRS is oorspronkelijk gebaseerd op de Total Physical Response methode die in de jaren zestig van de vorige eeuw is bedacht door James Asher en de Natural Approach die Stephen Krashen en Tracey Terrell in de jaren tachtig ontwikkelden. Blaine Ray ontwikkelde TPRS eind jaren tachtig om zijn leerlingen Spaans op de middelbare school vloeiend Spaans te leren spreken en schrijven.

De methode is gebaseerd op:

  • mensen zijn er biologisch op ingesteld zijn om een taal in een bepaalde volgorde te leren;
  • de wijze waarop kinderen hun moedertaal leren.

Via TPR® leert men een taal op een andere manier dan “traditioneel” gangbaar is en wel letterlijk “al doende”. TPR wordt sinds 1970 toegepast bij het leren van talen als Frans, Spaans, Russisch, Duits, Chinees, Japans, Arabisch, Hebreeuws, Zweeds en ook bij het leren van de gebarentaal voor doven. Er is veel wetenschappelijk onderzoek gedaan naar deze methode van taalverwerving. TPRS richt zich op taalverwerving door middel van begrijpelijke input.

 

Leerstofselectie

Het einddoel van de leergang is “vloeiend taalgebruik en taalverwerving” in een nieuwe doeltaal, in dit geval het Nederlands. De methode is geschreven voor cursisten met weinig tot geen kennis van het Nederlands. Het kan gebruikt worden voor volwassenen die in hun moedertaal kunnen lezen en schrijven, maar ook in combinatie met een alfabetiseringsprogramma. De methode is flexibel. De lessen zijn makkelijk aan te passen aan het niveau van de cursist.

 

Er wordt gesproken over:

  • Doelvocabulaire: de belangrijkste woorden en zinnen van ieder miniverhaal;
  • Attributen/visuele hulpmiddelen
  • Gebaren
  • TPR-commando’s
  • Vragen
  • Scenario
  • Miniverhaal
  • Vragen over het miniverhaal
  • Grammatica
  • Cultuur

 

Het ABCD-model van Neuner is ook in deze methode terug te vinden, al wordt er in de methode niet over gesproken.

 

Aanbod van nieuwe taalelementen: ABCD-model Neuner

Gericht op herkennen en begrijpen van taalelementen. Meestal luisteren: herkenning van woorden, vormen en zinnetjes en begrip van die taalelementen. Nieuwe taalelementen worden aangeboden in een zinvolle context.

Oefeningen zijn gericht op het begrijpen van de gesproken of geschreven tekst.

Mogelijke oefeningen:

  • Multiple choice vragen
  • Waar/niet waar of goed/fout vragen
  • Schema’s invullen

 

De methode begint heel duidelijk met A-oefeningen: er wordt eerst begonnen met het aanleren van de doelwoorden dmv. TPR commando’s. De cursist moet dus “doen”.  De vragen zijn in eerste instantie gesloten: waar/niet waar, ja/nee vragen.

 

Inslijpen van nieuwe taalelementen (ABCD-model Neuner)

Nieuwe woorden en zinnetjes worden opgeslagen in het geheugen. Oefeningen zijn sterk gestructureerd en gesloten en kennen vormen als aanwijzen, aankruisen, nazeggen e.d.

Mogelijke oefeningen:

  • Gatenteksten
  • Invuloefeningen
  • Categoriseren (welk woord in een rijtje hoort er niet bij?)
  • Woorden en plaatjes combineren.

 

Dit is terug te zien in de oefeningen in het werkboek. Nadat de doelwoorden aangeleerd zijn gaat de cursist het plaatje aanwijzen als ze het woord horen. Ook worden er invuloefeningen gedaan. Het is alleen niet zo dat er maar een antwoord goed is. Er wordt aan de cursist namelijk gevraagd het verhaal opnieuw te vertellen met eigen details.

Woorden en plaatjes combineren komen ook voor in bv. hoofdstuk 4.3.: het nummer van het plaatje wat de docent beschrijft moet opgeschreven worden.

 

Pre-productie (ABCD-model Neuner)

Overgang van inslijpen naar echte productie. Oefeningen worden in een gestuurde situatie geoefend. Zelf spreken en schrijven komen hier voor het eerst aan bod.

Alle oefeningen zijn gestuurd.

Mogelijke oefeningen:

  • Gesprekjes waarbij taalroutines zijn gegeven.
  • Met trefwoorden spreken of schrijven.
  • Vragen beantwoorden waar de relevante taal al in de vraag zit.
  • Dialogen waarbij de informatie al in telegramstijl wordt gegeven.
  • Zinnen maken.

 

Dit is wel een heel duidelijk doel van de methode: de cursist uitdagen zelf met nieuwe details komen, spreken in de doeltaal, vragen beantwoorden, enz.

 

Productie (ABCD-model Neuner)

Het nieuw geleerde wordt in realistische taalsituaties toegepast. Veel gebruikt is het rollenspel met een duidelijke opdracht. De D-fase is de laatste voorbereiding voor de leerder om de nieuwe taalelementen buiten de les te gaan inzetten.

Mogelijke oefeningen:

  • Rollenspel
  • Discussie
  • Vragen als: wat zeg je als..., geef een beschrijving van..., vertel iets over...
  • Buitenschoolse opdrachten. (de communicatieve benadering: het ABCD model)

 

Rollenspel is een belangrijk onderdeel binnen de TPRS. Cursisten worden uitgedaagd de dialoog met elkaar aan te gaan. De docent staat bijna voortdurend een rollenspel te spelen tijdens de les. De kern van de methode is: leren door te doen. Door de woorden aan handelingen te koppelen blijven ze beter hangen.

 

Ook wordt er steeds een beroep gedaan op de eigen creativiteit van de cusist. Je maakt samen het verhaal door vragen te stellen. De input van de cursisten is daarbij dus heel belangrijk!

 

Het uiteindelijke doel is vloeiend kunnen spreken, dus ook buiten de klas.

 

Leerstofordening

Bij voorkeur worden zoveel mogelijk woorden gebruikt die de cursisten begrijpen zonder dat de betekenis uitgelegd of vertaald hoeft te worden. Er worden hoogfrequente woorden en grammatica gebruikt. Er wordt gefocust op structuur. Men concentreert zich meer op grammaticale elementen (zinstructuren, werkwoordvervoegingen, etc.) dan op woordenschat. De woorden en de structuren die gebruikt worden moeten daardoor hoogfrequent zijn.

 

Elke les begint met herhalen, herhalen, herhalen. Dit is een substantieel onderdeel van de methode. Het nieuwe vocabulaire moet ingeslepen worden. Bij elk hoofdstuk is er een lijst met doelvocabulaire, kernwoorden, waarop de lessen gestoeld zijn en waarop je je verhalen gaat maken. Het is belangrijk dat deze doelvocabulaire ingetraind wordt. Daarbij is het heel belangrijk steeds te checken of het gesprokene begrepen wordt.

 

In de eerste lessen wordt begonnen met TPR commando’s om een basiswoordenschat in te slijpen.

 

Taalaanbod

De volgende thema’s komen aan bod:

  • Kennismaken
  • Boodschappen
  • Gezondheid
  • Uit en thuis
  • Eten en drinken
  • Wonen en werken
  • Gezondheid II
  • Kleding
  • Werk en verkeer
  • Het hele verhaal

 

Het zijn thema’s die passende zijn voor een beginnende cursist met nog weinig tot geen kennis van het Nederlands. Het zijn thema’s die heel praktisch en toepasbaar zijn in het dagelijks leven.

Doordat je als docent met concrete voorwerpen werkt (al dan niet echt), maak je de lessen levendig en concreet. Daarnaast is m.i. de docent en de cursist het belangrijkste instrument van de les. Samen maak je een verhaal, oefen je de kernwoorden, daag je de cursisten uit om te spreken en te handelen.

Er wordt naar gestreefd om drie woorden tegelijk te introduceren. Via opdrachten worden deze verduidelijkt, totdat de leerlingen zich de betekenis eigen hebben gemaakt. Vervolgens wordt overgegaan op de volgende drie, etc.

 

Grammatica

Zoals al eerder benoemd is de grammatica ingebed in de lessen. Deze komt pas aan de orde als het relevant is. De grammatica structuren worden op een natuurlijke manier verworven, namelijk door herhaling van taal in de context. Er worden geen aparte grammatica oefeningen gegeven.

 

Blaine Ray stelt dat een zeer korte (15 seconden tot 2 min) toelichting op een grammatiaal verschijnsel het beste is. Op deze manier worden curisten zich bewust van het bestaan van de structuur, wat weer ondersteunend werkt bij de taalverwerving. Op vragen van de cursisten over de grammatica kan natuurlijk altijd ingegaan worden.

 

In de handleiding wordt wel vanaf hoofdstuk 2 aangegeven wat de grammaticale aandachtspunten in de les zijn, b.v.:

  • Modale hulpwerkwoord ‘mogen’.
  • Negatie ’niet genoeg’.

 

Differentiatie

In de handleiding of in het werkboek wordt geen onderscheid gemaakt. Er staan geen concrete aanwijzingen over differentiatie. Ik denk dat je dit als docent zelf aan moet voelen. De ene leerder is de andere niet. De een zal het veel sneller oppakken dan de ander. Het uitgangspunt van TPRS is dat je uitgaat van de langzaamste leerder. Deze wordt in het handboek de ‘barometer’ leerling genoemd. Dit kunnen meerdere leerlingen zijn. Leerlingen die niet meteen zullen zeggen dat ze het niet begrijpen. Door middel van een signaal, slag op de tafel, time-out teken of een groene, gele, rode kaart o.i.d. die ze op kunnen steken weet de docent dat je langzamer moet gaan. Op deze leerlingen stem je je tempo af. Pas als iedereen alle nieuwe woorden hebben begrepen, kun je verder gaan met je les.

 

Toetsen

Na ieder hoofdstuk wordt, onaangekondigd, een woordenschatproefwerk gegeven. De leerlingen lezen in de doeltaal en schrijven het equivalent in hun moedertaal. Zo voorkom je dat er de avond van tevoren de woordjes geleerd worden. Motivatie en meedoen met de lessen is nu heel belangrijk. Overhoringen worden nooit aangekondigd. Op deze manier kom je erachter wat de leerlingen werkelijk weten (lange –termijnkennis) in plaats van wat ze de avond tevoren geleerd hebben (korte-termijnkennis).

 

Je kunt gemakkelijk je eigen overhoringen maken. Test de woorden die je leerlingen kennen. Als ze allemaal een voldoende halen kun je verder gaan. Zo niet, dan oefen je langer door dezelfde woorden in nieuwe verhaaltjes aan te bieden en overhoor je ze nog een keer.

 

De eindtoets van het eerste jaar bestaat helemaal juit vertaling van vocabulaire (doeltaal-moedertaal), maar er zijn ook andere opties.

Michael Kundrat van de Central Lake High School in Central Lake, Michigan bedacht het volgende: Een proefwerk in drie delen, waarin begrijpend lezen, spreken en schrijven zitten. Voor leesvaardigheid schreef hij een verhaaltje met zoveel mogelijk woorden en structuren, gevolgd door verschillende soorten vragen, zoals juist/onjuist vragen en open vragen.

Voor spreekvaardigheid maakte hij een selectie van 15 plaatjes uit alle verhalen die behandeld zijn. Daarmee plakte hij een nieuw verhaal in stripvorm. De leerlingen moesten een voor een apart gaan zitten met een recorder en kregen ongeveer 10 min. om het verhaal zo goed mogelijk te vertellen.

Voor schrijfvaardigheid koos hij een x-aantal woorden juit de lijst en liet de leerlingen er een verhaal mee schrijven van 125-150 woorden. (Handboek TPRS)

 

In de methode ‘Het hele verhaal’ wordt nergens gesproken over toetsen.

 

Docentenhandleiding

De docentenhandleiding is vrij uitgebreid. Er staat benoemd welke attributen je nodig hebt, wat de basis is, de kernwoorden, het miniverhaal. De handelingen die je kunt verrichten staan duidelijk verwoord en er staan vragen die je kunt stellen. In die zin is de handleiding vrij compleet.

 

Toch moet je wel enige kennis hebben van TPRS wil je er mee kunnen werken. Het is geen methode die je uit de kast pakt en waar je meteen mee aan de slag kunt. Op de website taalleermethoden.nl wordt b.v. ook aanbevolen als voorbereiding een TPR workshop te volgen.

In de bijlagen een voorbeeldles uit de handleiding en de bijbehorende les uit het werkboek.

 

Materiële aspecten

Er is niet veel materiaal, behalve een docentenhandleiding en een werkboek voor de cursisten. Overig materiaal moet je zelf bij elkaar zoeken. Het werkboek an sich ziet er goed uit aan de buitenkant. De binnenkant kan saai genoemd worden, omdat alles in zwart wit is. Toch vind ik de illustraties wel weer grappig en duidelijk. Het ziet er rustig uit. Misschien wel juist doordat alles in zwart wit is. Doordat elke les dezelfde opbouw heeft is het wel weer heel overzichtelijk. Er staat niet teveel tekst in het boek en de verhaaltjes om te lezen zijn kort. Het werkboek is van mat papier, zodat er makkelijk in geschreven kan worden. De docentenhandleiding is van glad papier. De beginbladzijden van de docentenhandleiding laten wel snel los.

 

Evaluatie

Het was intensief, maar leuk om zo in een methode te duiken. Omdat dit geen heel gangbare methode is, was het niet zo makkelijk om alle informatie bij elkaar te vergaren. Desondanks ben ik nog steeds erg enthousiast over de methode. Ik ben dan ook voornemens hier wel wat meer mee te gaan doen in de zin van een basiscursus o.i.d. te gaan volgen.

 

Maar, net zoals bij eigenlijk elke methode, zie ik ook de beperkingen. In de handleiding staat dat de methode ook geschikt is voor Alfa’s. In het mailcontact dat ik gehad heb wordt gezegd dat de methode te moeilijk is voor Alfa’s. Hierin spreken ze elkaar dus tegen. Ik ben van mening dat de methode, mits enigzins aangepast, prima bruikbaar is voor Alfa’s. Misschien kun je niet het hele boek uitwerken, maar zeker de eerste lessen kun je gebruiken en als je wat meer ervaren bent in TPRS kun je dit zelf wel verder uitbreiden. Voor het schrijven zul je een andere methode moeten gebruiken (er vanuit gaande dat ze ook nog echt niet kunnen schrijven, de schrijftechniek niet beheersen). Ik kan wel onderstrepen dat het waarschijnlijk makkelijker is wanneer de cursisten in elk geval gealfabetiseerd zijn en misschien zelfs al wel een klein beetje basiskennis van het Nederlands hebben.

 

Ook ontbreekt het ict gedeelte. Is je doel de cursisten echt op te leiden tot A1, dan zul je daarvoor dus iets aanvullends moeten zoeken. Er zijn daarvoor wel gratis websites beschikbaar, zoals Oefenen.nl. Als het gaat om uitspraak, vind ik de methode ook beperkt. De cursisten zullen het moeten hebben van de uitspraak van de docent. Er worden geen specifieke uitspraakoefeningen gegeven.

 

De methode leidt op tot niveau A1. Ik wil dit koppelen aan het Raamwerk NT2 om te bepalen of dit overeenkomt. Ik gebruik hiervoor de Matrix voor zelfevaluatie en de uitgewerkte vaardigheden. De matrix geeft kort weer wat je als cursist moet kunnen op alle niveau’s. De matrix heb ik hieronder weergegeven. Voor een uitgebreid overzicht verwijs ik naar het complete werk: Portfolio NT2: Raamwerk NT2, juni 2002 bron: Common European Framework of Reference for Languages, Council of Europe 2001.

 

Met dank aan Irma Verest

 

Lees ook de beschrijving van TPRS en TPR door Irma Verest op: http://tprsacademy.com/tpr-en-tprs/

 

 

 

Reacties

Wees de eerste om te reageren...

Laat een reactie achter
* Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.
* Verplichte velden
Wij slaan cookies op om onze website te verbeteren. Is dat akkoord? Ja Nee Meer over cookies »